De erfenis van Jacques Tati

Gepubliceerd in 'En Route' (nr.106 / zomer 2006)

Mijn vader was geen cinefiel maar als er een film van Jacques Tati op tv werd uitgezonden zat hij paraat. Als klein ventje keek ik dan met hem mee en genoten we van de capriolen die Tati als zijn alter ego Monsieur Hulot uithaalde. Zo herinner ik me nog de hilarische beginscène uit ‘Les vacances de Monsieur Hulot’ uit 1957: Een groep vakantiegasten wordt door een onverstaanbare stationsspeaker koortsachtig van het ene naar het andere perron gestuurd, terwijl ondertussen een rammelende, half uiteenvallende oldtimer over een landweggetje tuft. Beiden zijn op weg naar hetzelfde vakantieadres: Het hotel de la Plage.

Jaren later kocht ik de film op video. Tot mijn verrassing stonden op de hoes allerlei wetenswaardigheden over de film vermeld. Zo bleek deze te zijn opgenomen in ‘the idyllic surroundings of St. Marc sur Mer’. Ik moest een gedetailleerde landkaart aanschaffen om er achter te komen dat dit gehucht in Bretagne lag, onder de rook van St. Nazaire. Vanaf dat moment wist ik het: Ik moest en zou een keer overnachten in het hotel de la Plage! Ik wilde zien wat er van die rustieke badplaats was overgebleven, in de voetsporen van Tati lopen en op zoek gaan naar de rotspartij die hij als beginshot had gebruikt.

Dit jaar was het zover. Iets na de middag rijden we na talloze rotondes Saint Marc sur Mer in. Het is verrukkelijk zomerweer en de warme zeewind dringt uitnodigend de auto binnen. Daar verschijnt het eerste bordje: Plage M. Hulot rechts af. Opgetogen chauffeer ik verder, terwijl de gedateerde maar onsterfelijke filmmuziek van Alain Romans aanhoudend in mijn hoofd draait. We zijn er bijna. Wel vreemd om alles nu eens in kleur te zien in plaats van zwart-wit. Opnieuw een bocht. Wéér twee rotondes. Maar dan zijn we er. Ik parkeer voor de ingang van het hotel en snel naar de zijkant van het gebouw. Daar, tegen die blinde muur, hadden de decorbouwers van Tati vijftig jaar geleden een nepingang gecreëerd. Dat stelde hem in staat om ongestoord te kunnen filmen zonder de hotelgasten de doorgang te belemmeren. Bovendien was de echte ingang niet pittoresk genoeg. In mijn verbeelding zie ik hem er staan als Monsieur Hulot: pijp in de mond, de handen op de heupen en nieuwsgierig om zich heen blikkend. Volgens mijn berekeningen moet hij precies daar hebben gestaan waar nu een putdeksel ligt. Als ik er naar toe wil lopen word ik vanuit de auto teruggefloten: ‘Zou je de koffers niet eens gaan uitladen?’

De twee dagen die we in Saint Marc doorbrengen zijn een feest. Afgezien van een aantal stedenbouwkundige ingrepen heeft het dorp nog veel van zijn aangename truttigheid behouden. Aan een kraampje in vrolijke tinten worden crêpes, frites en snoepgoed verkocht. Op het strand en aan de boulevard zitten mensen rustig hun krant te lezen. Sommigen turen door een verrekijker. Een koket dametje laat haar hond uit. Op de kromme pier wordt - net als in de film - ontspannen gevist. Niks geen lawaai van nerveus voortjagende jetski’s of joelende groepen in een opblaasbanaan. De strandwacht communiceert nog met een ouderwetse walkietalkie. De krakende stem klink precies als de stadionspeaker uit het begin van de film. Zo is het ook met de kinderstemmen op het strand. Door de hele film heen hoor je de zee, de meeuwen en het geluid van spelende kinderen. Maar altijd veraf, nooit dichtbij, als echo’s uit een ver vervlogen tijd toen vakantiepret nog iets heel bijzonders was. Hier leeft het voort. Hier is vakantie nog altijd iets heel bijzonders.

Als we ’s avond in ons hotel een tafeltje willen reserveren vraagt een kleine corpulente serveerster: ‘U wilt natuurlijk bij het raam, of niet?’ ‘Prima,’ zeg ik, ‘maar waarom?’ ‘Vanwege het feu d’artifice,’ verklaart ze met bevlogen stem. Het blijkt dat ze niets te veel heeft gezegd want tegen half elf - we zijn dan al weer op onze hotelkamer met het fenomenale uitzicht - barst op het strand een weergaloos vuurwerk los. Kosten noch moeite zijn gespaard om de toegestroomde menigte op een wervelende voorstelling te onthalen. Zelfs vanaf de rotspartij die ik uit de film herken, stijgen talloze pijlen omhoog. Het spektakel is geheel in de traditie van ‘Les vacances’, waarin Hulot aan het eind na veel onhandig geklungel per ongeluk de ene vuurpijl na de andere de lucht in schiet en bijna de linkervleugel van het hotel in vuur en vlam zet.

Met aanzwellende heimwee vertrekken we de volgende ochtend al vroeg richting het zuiden. Al zou je nog nooit van Jacques Tati of monsieur Hulot hebben gehoord, St. Marc sur Mer is een klein paradijs waar je niet wilt weggaan. Tati heeft haar slechts op de kaart gezet en er zijn sporen achter gelaten. Hij heeft er een dimensie aan toegevoegd, waardoor iedere fan die er komt zich een beetje monsieur Hulot voelt. Maar daarbuiten bestond de film eigenlijk al lang voordat hij werd opgenomen.