Een nuchtere vernieuwer

Interview met kunstenaar Mark Brusse

Tekst & fotografie: Andy Arnts  

Gepubliceerd in: 'Tableau Fine Arts magazine' (12/2009)

 

Met een beurs van het Maison Descartes vertrok Mark Brusse in 1960 voor acht maanden naar Parijs. Daarna zou de toen drieëntwintigjarige kunstenaar weer naar Nederland terugkeren. Maar toen hij na

een succesvolle expositie werd uitgenodigd voor de Biënnale des Jeunes in het Musée d’Art Moderne, besloot hij wat langer te blijven. Vijftig jaar later woont hij er nog steeds. Een portret van een 'Franse' rasartiest die altijd zijn Hollandse nuchterheid heeft behouden: 'Er is niets romantisch aan het kunstenaarsbestaan. Het is gewoon keihard werken.'

Iedere dag pendelt hij trouw van zijn huis in het dertiende naar zijn atelier in het elfde arrondissement. Het ligt aan een markante achttiende-eeuwse binnenplaats, een schilderachtig overblijfsel uit het oude Parijs tussen de Bastille en Place de la Nation. De hoog opgetrokken vakwerkhuizen rondom het plein herbergen allerlei werkplaatsen en ateliers. De studio van Marc Bruus, zoals de Fransen zeggen, is helemaal bovenin en te bereiken via een donker portaal met houten trapgang.

 
Nouveaux Réalistes
Achttien jaar werkt hij nu in dit ruime atelier. Maar dat is wel eens anders geweest. Brusse: 'In het begin woonde ik in een klein hotel aan Place de la Contrescarpe. Een kamer van twee bij twee meter met één raam, dat uitzicht bood op de gang. Ik maakte assemblages van op straat gevonden voorwerpen en materialen, voornamelijk van hout. Noodgedwongen, want geld om spullen te kopen was er niet. 's Avonds waste ik borden in een restaurant en soms hielp ik met vrachtwagens uitladen in de Hallen. Overdag kon ik daardoor in het atelier aan de gang.
'Ondertussen was ik terecht gekomen in de avant-garde galerie van Matthias Fels, die de abstracte kunst van de École de Paris doorbrak met exposities van jonge kunstenaars, zoals de Nouveaux Réalistes en de Figuration Narrative. Hierdoor kwam er meer aandacht voor nieuwe kunst die geworteld was in de dagelijkse realiteit.'
Brusse raakte spoedig bevriend met deze Nouveaux Réalistes, waartoe ondermeer Yves Klein, Daniel Spoerri en later ook Niki de Saint-Phalle behoorden. 'Er heerste onderling een grotere verbondenheid dan bij de huidige generatie kunstenaars,' vertelt hij. 'Hoewel de communicatiemiddelen van nu nog niet bestonden waren de contacten gemakkelijker. We gingen veel met elkaar om en inspireerden elkaar. Er ontstonden ideeën om het alledaagse leven als uitgangspunt te gebruiken. Spoerri plakte de resten van een ontbijt met bord, koffiekop, asbak, eierdopje en alle etensresten vast op het tafelblad, terwijl Hains, Rotella en Villeglé afgescheurde affiches, zonder interventie, ingelijst aan de muur hingen. Zo ontstond een prachtige afspiegeling van het postindustriële tijdperk.'
 

New York
Ondanks de snelle opmars van de Nouveaux Réalistes ziet Brusse zijn eigen artistieke doorbraak als een geleidelijke geschiedenis. 'Het is een proces dat voortdurend op en neer is gegaan. Dat kwam ook door New York, waar ik in 1965 naar toe ging. Ik kwam daar in een wereld met andere dimensies: popart, minimal art en conceptuele kunst, waarin alles tegelijkertijd gebeurde: happenings, performance, art, technologie. Het was de tijd van Andy Warhol met The Factory, de feesten bij Claes Oldenburg, diners bij Robert Rauschenberg en John Cage, een heel inspirerende persoonlijkheid met wie ik later ook in Berlijn heb gewerkt. Ik heb er veel geleerd. Je wordt heel

kritisch op jezelf door al die creatieve mensen om je heen.'
Na Amerika keerde Brusse terug naar Parijs, wat hem zwaar viel. 'Ik had geen geld, geen atelier; ik moest weer van voren af aan beginnen. Gelukkig kon ik door een indirect contact twee jaar in het Cité Internationale des Arts wonen en werken en kreeg ik een solo-expositie in het Stedelijk Museum in Amsterdam. In 1970 vertrok ik opnieuw, naar Berlijn, met een DAAD-beurs voor twee jaar.'
 
Belevingservaring
Kunstcriticus Pierre Restany heeft het œuvre van Mark Brusse omschreven als 'Het eeuwigdurend raadsel van het alledaagse'. Is dat een goede definitie? Brusse: 'Kennelijk roep ik vragen op. Ik zeg altijd: Mijn interpretatie is niet meer waard dan die van de toeschouwer. Door een onderwerp uit zijn vertrouwde omgeving te halen, plaats ik het in een nieuw licht. Een pop in een kinderkamer valt niet op. Maar ligt hij op de snelweg dan kan diezelfde pop ineens iets triests of angstwekkends krijgen en allerlei vragen oproepen. Vragen die ook weer onderhevig zijn aan de emotionele toestand waarin de toeschouwer verkeert. Die subjectiviteit is heel interessant. Het verandert je belevingservaring. Dat is de rode draad die door mijn werk loopt. Daarbij heeft ieder materiaal zijn eigen karakter, mogelijkheden en beperkingen. Ik kijk meestal naar wat voorhanden is, dan word je vanzelf vindingrijk. In het Olympisch park in Seoel heb ik met graniet gewerkt voor een twaalf meter hoog beeld. Dat is daar beschikbaar. Bovendien is het voor de inwoners interessant om te zien wat ik als buitenlander met hun grondstof doe. Daardoor wordt het iets eigens voor hen. In Marokko heb ik hetzelfde gedaan met stucwerk. Ik pas me aan het materiaal aan. Op die manier vertel ik mijn verhaal in een andere taal, maar wel trouw blijvend aan mijn eigen ideeën en intuïtie.'
 
Keihard werken
Er staan weer tal van internationale exposities op de agenda. Wat moet je doen om als kunstenaar vijftig jaar lang te kunnen overleven in de grillige kunstwereld? 'Het is je werk,' zegt Brusse nuchter. 'Je moet erin geloven. Dat is mijn houvast. Je moet leren dat het op en neer gaat. Natuurlijk heeft mij dat wel eens beangstigd. Maar ik heb het nooit als iets dramatisch gezien. Ook met weinig middelen kun je prima leven. Ik heb nooit een auto gehad, nooit kinderen, nooit onroerend goed. Het kunstenaarschap is minder romantisch dan sommigen
denken. Het is keihard werken. Je moet continu aanwezig blijven en beschikbaar zijn om niet uit het oog te worden verloren. Maar dat is tegelijk de stimulans die je als professional nodig hebt om te kunnen presteren. De kunstwereld raakt steeds meer vercommercialiseerd. Je ziet steeds minder jonge kunstenaars die dagelijks naar hun atelier gaan. Het is management geworden. Er wordt meer gediscussieerd met opdrachtgevers over hoe het kunstwerk vorm moet krijgen. Daarbij is de huidige tendens: hoe jonger hoe beter. Mijn Parijse galerie Louis Carré is om die reden al uit de Fiac gestapt. Zijn kunstenaars zijn nu eenmaal niet zo jong meer…'
 
Thuishaven
Eind 2008 verbleef Brusse twee maanden op het Italiaanse eiland Murano waar hij een serie glassculpturen maakte. 'Reizen geeft inspiratie en houdt mij jong,' verklaart hij. 'Binnenkort ga ik opnieuw naar Japan, het land waar mijn vrouw Nobuko vandaan komt. Vanaf 1983 heb ik daar regelmatig op verschillende plaatsen gewerkt. Nu willen we naar een onbekende buurt. Je moet ten slotte altijd vernieuwen. Ik zit niet vast aan een bepaald idee-fixe. Als je altijd bezig blijft, dan gebeurt dat vernieuwen vanzelf.'
Na Japan keert monsieur Bruus, de in Alkmaar geboren globetrotter, weer terug naar Parijs. Want die stad is ondanks zijn vele reizen, ontwikkelingen en zijstappen altijd zijn thuishaven gebleven. Al een halve eeuw lang.

© Andy Arnts, 2009