GoT is tachtig

Interview met Gommaar Timmermans

Tekst & fotografie: Andy Arnts                

Gepubliceerd in het 38ste jaarboek van het Felix Timmermans Genootschap (Een druppel zon), september 2010.

 

Op de secretaire in zijn woonkamer staat een ingelijste zwart-wit foto van hemzelf, samen met zijn beroemde vader, de schrijver Felix Timmermans. Toen was hij ongeveer acht. Dit jaar is hij tachtig geworden: Gommaar Timmermans, beter bekend als de comic striptekenaar 'GoT'.

'Ik ga een goede wijn voor u openmaken,' zegt hij. 'Mijn vrouw heeft een schaal met koekjes, zoutjes en druiven opgemaakt. Neemt u gerust.' Zelf is ze beneden, in haar winkel 'Timmermans Antiquiteiten' te Lier (B). Een wit hoekpandje, prachtig gelegen aan de Nete. Vijftig meter verderop staat het Timmermans-Opsomerhuis, waar de manuscripten, illustraties, schilderijen en curiosa van vader Timmermans worden geconserveerd. Aan de overkant van de Nete, op het Felix Timmermansplein, prijkt zijn borstbeeld en op de rivier zelf varen toeristenbootjes voorbij, met namen als Pallieter, Marieke en Vettigen Teen - allemaal personages uit het rijke œuvre van vader Felix.
Gommaar beziet het met een glimlach. 'Awel, 't is natuurlijk heel bijzonder. Maar je wordt dat gewoon met de jaren. Ik heb het ook nooit als een last ervaren dat ik een beroemde vader had of dat mensen me misschien als 'de zoon van' zagen. Het is nu eenmaal zo.'
Leest u zijn boeken nog wel eens?
'Af en toe wel. Zoals het eerste deel van zijn boek over Pieter Bruegel, daarin kon mijn vader zich als schrijver helemaal laten gaan. Bruegel was heel aanwezig in zijn leven. Hij kocht veel boeken en reproducties van zijn werk. Elk jaar rond kersttijd hing hij op de deur van zijn werkkamer een grote plaat van
de opschrijving te Bethlehem. Ik heb die map met platen nog altijd. Alleen die ene ontbreekt. Die is waarschijnlijk versleten door het vele gebruik.'
Was hij zelf een Bruegeliaans, Bourgondisch type?
'Hij at graag, maar thuis aten we doodgewone dingen. Groente met gehakt bijvoorbeeld. En in de vastentijd spinazie met hardgekookte eieren. In die periode legde hij ook zijn pijp opzij. Dan rookte hij veertig dagen niet. Maar met Pasen kwam er altijd iets speciaals op tafel. Zoals… een kip! Tegenwoordig gooien ze de kippen naar uw hoofd, maar zeventig jaar geleden, toen was een kip nog 'iets'. Je ziet dat nog terug in oude kookboeken. Wanneer mijn vader in Mechelen was, ging hij altijd naar een speciale kaaswinkel om Brusselse kaas te kopen. Daar werd volgens hem de beste gemaakt. Hij zei: "Ge moet er kunnen door zien." Zelf mag ik het ook nog graag eten. Het is meer zout dan kaas, maar toch erg lekker.'
Welke boeken leest u nog meer?
'Anna-Marie, omdat ik alle plekken, bruggen en huizen ken die er in voorkomen. Sommige personages zijn ook historische figuren geweest. Mijn vader vertelde wel eens dat hij soms een straatje om moest gaan om die personen niet tegen te komen.'
Roept dat lezen geen weemoedigheid op?
'Nee, daarvoor is het allemaal te lang geleden. Sommige boeken zijn wel ontroerend, maar dat heeft niet meer met hem zelf te maken.'

Felix Timmermans overleed in 1947, toen Gommaar zestien jaar oud was. 'Indertijd was je met zestien nog een kind,' vertelt hij. 'Op college ging het er ook anders aan toe. Het was betrekkelijk streng, dat kennen ze nu niet meer. Ik ging dan ook niet graag naar school. Ik vond het een dwangbuis. Later, op de Academie van Antwerpen had ik meer vrijheid. Ik heb me daar toegelegd op drie vakken: keramiek, het ontwerpen van publiciteitstekeningen en affiches en binnenhuisarchitectuur. En het frappante is dat ik met al die vakken vrijwel nooit iets heb gedaan. Ik heb
drie jaar bij uitgeverij Desclée de Brouwer in Brugge gewerkt, maar dat van 9 tot 5 werken, dat lag mij niet. Ik heb mijn vrijheid nodig. Terug in Lier heb ik me daarna in het vrije beroep geworpen, met alle moeilijkheden van dien.'
Het was natuurlijk ook een tamelijk 'nieuw' beroep: striptekenaar.
'Eigenlijk is dat vanzelf ontstaan. Het stripverhaal was overgewaaid uit de Verenigde Staten. In die tijd had je Pogo van Walt Kelly, een stripverhaal als feuilleton en Krazy Kat, een comic strip van George Herriman. Mannen als Willy Vandersteen en Marc Sleen hadden dat hier opgepikt en waren er mee verder gegaan. En aangezien ik geen aanleg had om écht naar de natuur te tekenen, ben ik het ook gaan doen. Willy Vandersteen had gezien dat bepaalde televisiefeuilletons bij kinderen succes hadden. Die formule nam hij over, maar onder een andere naam: Lassie werd Bessy. Zo heb ik het nooit gedaan. Ik heb altijd nieuwe dingen verzonnen. In het begin waren het strips voor kinderen, maar dat lag mij niet zo. Toen ben ik het steeds ingewikkelder gaan maken. Op een gegeven moment zeiden ze bij De Standaard, waar ik voor werkte: "Dit is niet meer voor kinderen, want die begrijpen dat niet. We gaan jou in de krant zetten." Zo ontstonden mijn eerste humoristische strips voor volwassenen.'
Is humor altijd uw handelsmerk geweest?
'Eigenlijk wel. Voor Knack heb ik bijvoorbeeld twee series gemaakt: Weber, over een lieveheersbeest met een papieren hoed, en Iamboree, dat ging over de oude Grieken. Losse, komische strips, die een soort feuilleton vormden. Een verhaaltje ging bijvoorbeeld over een man die naast zijn huis een spinazieveld had. Op een morgen stond daar plotseling een neushoorn in. Enfin, wat die man wel niet allemaal deed om dat beest daaruit te krijgen.'
Dus toch een beetje in uw vaders voetsporen.
'Nu ja, mijn vader illustreerde toch op een andere manier. Hoewel… soms had hij in Gent een vergadering van de Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde. Wat hij daar precies deed weet ik niet, maar hij heeft er wel veel karikaturen getekend van de mensen die daar zaten.
'Later ben ik net als hij ook gaan schrijven. Dat was na mijn hartinfarct in 1982. Dan ben je toch een paar maanden uit circulatie. Toen ik terugkwam was ik het tekenen een beetje beu en heb ik aan de eigenaar van Knack gevraagd: "Kan ik niet beginnen te schrijven?" Dat was goed, en dat leidde uiteindelijk tot een wekelijkse humoristische bijdrage met één illustratie.'
In het begin van de jaren zeventig boekte Gommaar Timmermans veel succes met een reeks kinderboeken, waaronder Het zondagskasteel, De kip, de keizer en de tsaar en De stotterende koekoek, waarvoor hij in 1973 de Referendumprijs voor het Kinderboek ontving. Tien jaar later maakte hij de overstap naar de televisie met de animatiefilm De Wonderwinkel, die reeds als stripverhaal was verschenen. 'De Wonderwinkel was een serie die we hebben gemaakt toen de BRT vijfentwintig jaar bestond. Het waren dertien delen van drieëntwintig minuten, waarvoor ik alles moest doen of organiseren: storyboard, het ontwerpen van de figuren, de dialogen, enzovoorts. Met veertig man waren we tekeningen aan het maken. Overal haalden we ze vandaan. We hebben zelfs Gentse studenten van de academie geronseld om tegen een hongerloon de plaatsjes in te kleuren. Bij bepaalde episodes is dat ook wel te zien.'
Hij lacht, nu hij er aan terugdenkt.
'Ja, humor loopt inderdaad als een rode draad door al mijn werk heen. Dat was al zo in de kinderstrips. Ik weet nog wel, toen ik in 1992 naar het ziekenhuis moest voor een hartoperatie. Een van die hartspecialisten las het naambordje aan mijn bed en zei: "Gommaar Timmermans… Lier… Maar… U bent GoT!" Die man had dat kennelijk nog onthouden uit zijn kindertijd.'
In hoeverre is 'GoT' een afspiegeling van uzelf?
'Persoonlijk ben ik nogal bedachtzaam. Wat ik zie zijn twee werelden: je hebt het prachtige landschap zoals je het ziet, maar ook zoals je het beziet. Van binnenuit dus. En dat vind ik verschrikkelijk. De natuur is een slagveld. Alles eet elkaar op. Het leven kan een speeltuin zijn, maar voor sommige mensen is het een hel. Ik herinner me dat op mijn school eens een opstelwedstrijd werd gehouden met als thema: Twee mannen staren door een venster. De ene ziet de nacht, de andere de sterrenpracht. Dat klinkt ouderwets, maar het tekent veel. Het is het verdriet van de schepping.'
Bent u een religieus man?
'Ik ben erg geïnteresseerd in godsdienst. Niet alleen in het katholicisme, maar ook in andere religies. Ik geloof in een hogere macht. Dat heeft veel te maken met
rechtvaardigheidsgevoel. Neem nou die affaire met de kredietcrisis. Al die vergiftigde leningen die willens en wetens werden verkocht, waardoor zoveel mensen hun spaarcenten kwijt zijn geraakt… dat is misdadig! Er moet toch iets zijn, iets rechtvaardigs, zodat al die gedupeerden niet aan het kortste eind trekken.'
Houdt u zich nu meer met het geloof bezig dan vroeger?
'Nee, ik heb me daar altijd al aan gewijd. 't Is niet zo dat als de duivel ouder wordt, dat hij dan onder de preekstoel gaat zitten. Alleen heb ik nu meer tijd, en daarnaast ben ik een paar keer goed ziek geweest. Dan ga je ook nadenken.'
Godfried Bomans schreef ooit: Mijn humor is overwonnen droefheid.
'Dat kan zijn, ja. Dat is ook iets wat ik zelf ooit geschreven heb: Wij moeten proberen ons verdriet te versuikeren, of te konfijten zoals dat in keukentaal heet.'
U bent nu tachtig jaar. Leidt u een leven van terugkijken of vooruitkijken?
'Ik kijk zelden terug. Je moet niet mijmeren over hoe het was. Ik leef bij het heden. Elke dag is er één. Natuurlijk denk ik aan de dood, maar ik heb daar geen duidelijke voorstelling van. Misschien is het een toestand waarin je de ware werkelijkheid ziet. Ik geloof niet in dat middeleeuwse gedoe van hel en duivel. Dat komt allemaal voort uit de Joodse Gehenna, waarin men in de onderwereld verdwijnt. In de middeleeuwen hebben ze daar wat vuur en tangen bij gedaan, en zo is dat allemaal ontstaan. Nee, ik denk dat iedere godsdienst wel een deelwaarheid bevat. Dat heeft de Katholieke Kerk trouwens zelf al schoorvoetend toegegeven.'
Werkt u op dit moment aan een project?
'Ik doe al een paar jaar praktisch niets meer. Ja, lezen, veel lezen. En reisplannen maken. Ik wil nog naar Parijs en Rome, zulke dingen. Misschien ga ik nog eens iets schrijven, iets humoristisch. Of iets tekenen, iets kleins. Ik ben nog fit. Ik heb een hometrainer die alles meet: polsslag, kilometers en nog veel meer. Dat doe ik elke dag ongeveer één uur.'
En dan, met een lach: 'Maar ik moet er wel wat bij te lezen hebben, anders is het niet te doen. Pas heb ik alle Wodehouse’s nog eens doorgenomen - pockets, geen zware boeken, want dat fietsen is al zwaar genoeg.'
© Andy Arnts, 2010